woensdag 25 april 2007

Vissen

Algemeen
Vissen zijn op vele manieren in te delen, hoe ze eruit zien, waar ze van af stammen of in welk milieu ze leven. Vrijwel alle vissen leven permanent in het water en in verschillende milieus:
zoetwatervissen: komen voor in plassen, beken, rivieren en andere stromen;
brakwatervissen: komen voor in mangroves en overgangsgebieden tussen zee en rivieren;
zoutwatervissen: komen voor in zeeën en saliene milieus.
Daarnaast zijn er de anadrome vissen (bijv. zalm die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. De katadrome vissen zijn vissen die zich in zee voortplanten en opgroeien in zoet water, zoals de paling.
Lange tijd werden de vissen als één grote groep gezien (Pisces) maar tegenwoordig zijn de vissen verdeeld in twee klassen; de kraakbeenvissen, waartoe de haaien en de roggen behoren, en de straalvinnigen, de grootste groep die alle andere soorten bevat. Er zijn nog wel meer groepen, maar deze zijn allemaal uitgestorven, zoals de pantservissen. De kaakloze vissen (Agnatha), zoas de rivierprik worden als aparte groep naast alle andere vissen gezien. Zie ook onder het kopje taxonomie verderop.

Lichaam
Vissen hebben over het algemeen een langwerpig, zijwaarts afgeplat lichaam en een huid die bedekt is met schubben. Er zijn zeer veel uitzonderingen, sommige vissen lijken op slangen of zijn juist heel plat of bol. hebben allemaal vinnen, aan de combinatie en vormen van de vinnen valt vaak af te lezen tot welke groep een vis behoort.

skelet
Het skelet is relatief licht en bestaat uit een wervelkolom, met daaraan de graten, de vinstralen en vindragers, de botten van de bekkengordel en de lendengordel, de schedel, de kaakbeenderen, de kieuwbogen en de kieuwdeksels. De graten in het voorste gedeelte van het lichaam zijn gepaard en omhullen gedeeltelijk de buikholte. De kaken zijn bij beenvissen uitstulpbaar, waardoor deze vissen heel gemakkelijk voedsel naar binnen kunnen zuigen.

visvlees
Het grootste gedeelte van het lichaam bestaat eigenlijk uit twee grote lichaamsspieren, die via de huid en de wervelkolom de staartvin aandrijven. Deze lichaamsspieren zijn vaak voor het grootste gedeelte wit en opgebouwd uit segmenten die met elkaar door myosepten zijn verbonden. Aan de buitenkant van de lichaamsspier vlak onder de huid zit rood spierweefsel, dat een groot uithoudingsvermogen heeft.
Als de vissen kalm zwemmen gebruiken ze alleen de rode spiervezels, in noodsituaties gebruiken ze ook de witte spiervezels. Dit is de reden dat vissen vrij snel vermoeid raken als ze voor een sleepnet uitvluchten, of als ze gehaakt zijn door een hengelaar. Er zijn echter ook veel vissen met alleen rode spiervezels als zalm, wilde karper en tonijn, die dan ook niet zo snel vermoeid raken. Het witte visvlees dient voor een groot gedeelt ook om de stroomlijn van het lichaam te optimaliseren.
Visvlees bevat weinig bindweefsel en is dus nooit taai. Het percentage vet kan enorm variëren (0.5 - 40%) per soort en per seizoen. Vanwege het grote percentage onverzadigde vetzuren is visvlees erg gezond, maar ook erg bederfelijk.

Vinnen
Eén van de eigenschappen die vissen kenmerkt is dat ze in het bezit zijn van vinnen in plaats van poten. Vinnen dienen om te zwemmen, zowel om snelheid te maken als te sturen.
In het aantal vinnen verschillen vissen per groep. Rondbekken hebben twee eenvoudige vinnen: een rugvin en een staartvin. Daarentegen hebben haaien gewoonlijk een gepaarde rug- buik- en borstvin, daarnaast een staartvin en een aars- of anaalvin.
Sommige vissoorten hebben in de loop der eeuwen bepaalde vinnen verloren. Sommige soorten haaien of de poon hebben zulke sterke vinstralen dat ze op de borstvinnen over de bodem kunnen lopen. Zeepaardjes hebben een hele kleine rugvin die razendsnel als een propeller beweegt. Mesvissen bewegen zich juist voort met de lange aarsvin.

Kieuwen
Ogcocephalus parvus kan met de vinnen over de bodem lopen.
Dendrochirus biocellatus is een giftige koraalduivel.
Phractocephalus hemioliopterus heeft baarddraden.
Op enkele soorten na halen alle vissen de benodigde zuurstof uit het water door middel van kieuwen, deze zitten aan weerszijden achter de kop. De vis leidt het water door de kieuwen door eerst de kieuwholte te vergroten door met gesloten kieuwspleten en iets geopende bek de mondbodem naar beneden te bewegen en de voorkant van de kieuwdeksels naar buiten te bewegen. Door flapjes achter de lippen wordt het water tegengehouden als de vis de mondbodem weer omhoog beweegt en de kieuwholte verkleint. Het water wordt dan door de kieuwzeef (benige aanhangsels van de ophanging van de kieuwen) langs de rode kieuwlamellen gevoerd en verdwijnt het via de kieuwspleet.
Vissen als ansjovis, sardine en makreel creëren een waterstroom langs de kieuwen door simpelweg de bek en de kieuwen te openen en continu te blijven zwemmen.
De kieuwlamellen zijn voorzien van zeer kleine secundaire lamellen waar het bloed in een richting stroomt tegengesteld aan de waterstroom. Door dit tegenstroomprincipe kan het bloed maximaal van zuurstof worden voorzien.

Huid
Veel vissen hebben een huid van schubben of soms zelfs beenplaatjes, net als reptielen, maar de schubben van vissen dienen niet alleen ter versteviging, ze zijn zeer glad voor een goede stroomlijning voor het zwemmen. Om de weerstand nog verder te drukken hebben vissen een slijmlaag op de huid, die tevens dient om infecties buiten de deur te houden. Schubben zijn vooral bij beenvissen goed ontwikkeld. Toch zijn ook hier uitzonderingen, zoals het zeepaardje en de meerval. Haaien en roggen hebben geen echte schubben maar een leerachtige huid die voorzien is van vele kleine, harde insluitingen (tandschubben).

Zintuigen
Veel vissoorten hebben kleine gaatjes in sommige schubben op de flanken en de kop of poriën in de huid bij soorten zonder schubben. Dit wordt de zijlijn genoemd. Dit zintuig stelt vissen in staat drukveranderingen in het water waar te nemen. Zo kunnen vissen in troebel water en in het donker zwemmen zonder zich aan allerlei dingen te stoten. De zijlijn stelt vissen ook in staat om te anticiperen op naderende roofvissen, omdat deze het water in beweging brengen en daardoor voor drukveranderingen zorgen. Vooral bij vissoorten die in diepe zeeën en oceanen leven, is de zijlijn goed ontwikkeld. Het zijlijnorgaan kan ook fungeren als een orgaan dat veranderingen in electrische velden waarneemt. Vooral haaien zijn erg gevoelig voor electrische velden en gebruiken ze om ingegraven platvissen te vinden, door de kleine spanningen veroorzaakt door de spieren van de prooi.
Ook het evenwichtsorgaan, de smaak en de reuk zijn bij veel vissen goed ontwikkeld. Daarnaast beschikken veel soorten over een goed gehoor. Hierdoor kunnen ze met elkaar communiceren over zeer grote afstanden. Vissen met een goed gehoor als meerval en karper gebruiken de zwemblaas als een soort van trommelvlies. Met het orgaan van Weber, dat bestaat uit een aantal verbonden botjes wordt de trilling van de zwemblaas overgedragen naar het middenoor.
Tenslotte kunnen soorten die op goed verlichte plaatsen leven, goed zien. De ogen zelf kunnen nauwelijks bewegen en oogleden ontbreken. De lens in het oog kan door een spiertje dichterbij het netvlies worden getrokken, om zo voorwerpen op verschillende afstanden te kunnen waarnemen. Vissen zijn altijd wat bijziend, omdat scherpe waarneming op grotere afstand in het water niet zo zinvol is vanwege het beperkte blikveld.
Ook tastorganen als baarddraden komen voor bij de vissen, deze worden gebruikt om de bodem af te speuren op zoek naar prooidieren. De baardraden worden ook gebruikt als smaakorgaan, vaak in combinatie met wat smaakgevoelige velden op huid en vinnen.

Voortplanting
Een jonge zalm verlaat het ei, de dooierzak is duidelijk te zien.
Vissen planten zich meestal voort door middel van eieren, maar er zijn ook wel eierlevendbarende soorten waarbij de jongen in de moeder tot ontwikkeling komen. Bij de meeste vissen vindt de paring plaats doordat het mannetje en het vrouwtje respectievelijk het sperma en de eicellen tegelijkertijd afgeven, er vindt dus geen copulatie plaats. Sommige vissen produceren miljoenen eitjes, maar soorten die de jongen verzorgen leggen kleinere aantallen tot enkele honderden. Broedzorg kan ver gaan bij vissen; bij een aantal soorten worden de jongen agressief verdedigd tegen mogelijke vijanden. Een aantal soorten broedt de eitjes na het afzetten verder uit in de bek of laat de jongen bij gevaar snel in de bek zwemmen, zodat ze veilig zijn. Er zijn zelfs 'koekoeksvissen', die de eitjes door andere vissen laten verzorgen en waarvan de jongen niet zelden de eitjes of visjes van de gastheer oppeuzelen, deze hebben niet door dat hun kroost wordt opgegeten door een andere soort.
Er zijn ook vissen die een heus nest onderwater maken, en waarbij een van de ouders regelmatig met de vinnen over de eitjes waaiert om deze van een constante zuurstofaanvoer te voorzien, zoals de stekelbaars. Labyrinthvissen en andere soorten maken een schuimnest dat op het water drijft.
Als een visseneitje is uitgekomen komt de jonge vis tevoorschijn, die vaak larve wordt genoemd maar geen echte metamorfose meer ondergaat. De larve is vaak doorzichtig en draagt de dooier nog met zich mee. Na enige tijd is deze uitgeput en moet de vis op zoek naar voedsel. Vrijwel alle jonge vissen eten kleine diertjes om snel te groeien. Zeevissen eten vaak kleine in het water zwevende diertjes, voor zoetwatersoorten zijn dieren als watervlooien en muggenlarven onontbeerlijk als stapelvoedsel.

Geen opmerkingen: