zondag 29 april 2007

Stinkdieren

De stinkdieren of skunks (Mephitidae) vormen een familie uit de orde der roofdieren (Carnivora). De familie omvat 13 soorten in 3 geslachten, die verspreid over Noord- en Zuid-Amerika leven. Tot voor kort werd de familie als een onderfamilie van de marterachtigen (Mustelidae) beschouwd.
Het stinkdier dankt zijn naam aan zijn manier van verdedigen. Als een stinkdier zich bedreigd voelt, spuit hij een zeer stinkende vloeistof over zijn vijand. Het stinkdier waarschuwt eerst zijn belager voordat hij de vloeistof spuit. Zijn wit-zwarte vacht laat hij bewegen. Meestal is dit al genoeg om zijn tegenstanders te verjagen. De geurklieren van de stinkdier kunnen verwijderd worden. Op deze manier kan het stinkdier ook gehouden worden als huisdier zonder zijn verzorgers te bespuiten.
Het meest bekende stinkdier is de gestreepte skunk (Mephitis mephitis) uit Noord-Amerika.

Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Carnivora (Roofdieren)

Tijger

De tijger (Panthera tigris) is een zoogdier dat tot de familie der katachtigen (Felidae) behoort, een van de vier 'grote katten' die tot het geslacht Panthera behoren. Tijgers zijn jagende roofdieren.
De meeste tijgers wonen in het bos (waarvoor hun camouflagestrepen geschikt zijn) en in grasland. Van de grote katten zijn de tijger en de jaguar goede zwemmers; tijgers kunnen vaak badend in vijvers, meren en rivieren worden aangetroffen.
Tijgers jagen solitair. Hun dieet bestaat voornamelijk uit middelgrote planteneters, vooral hoefdieren, maar als de omstandigheden dat voorschrijven, jagen ze ook op grotere prooien. Het is geen sociaal dier: de enige groepen bestaan uit moeder en welpen.
De tijger is een bedreigde diersoort die verspreid over Azië voorkomt. De enorme teruggang in aantal moet worden toegeschreven aan het steeds verder oprukken van de mens. Veel rustige natuurgebieden zijn daardoor verloren gegaan, terwijl de tijger een groot leefgebied nodig heeft. Verder is steeds minder groot wild voorhanden. En bovendien is de tijger vanwege zijn fraaie huid al meedogenloos vervolgd.Ook zijn botten worden gebruikt. Andere doelen zijn lichaamsdelen voor medicijnen.

Gebrul en gehoor
Tijgers blijken infrageluid te produceren om rivalen uit hun territorium te verdrijven en om partners aan te trekken. Deze ontdekking, van Ed Walsh en een aantal collega's, uit Omaha (Nebraska) in 2003, verklaart wellicht hoe tijgers een groot territorium voor zichzelf in stand houden om te jagen. Tijgers produceren een veelheid aan geluiden, diep gebrul en gegrom, maar ook een schraapgeluid dat ze gebruiken om elkaar te begroeten. Een brul gevolgd door een grom wordt schijnbaar gebruikt om rivalen af te schrikken.
Uit het onderzoek blijkt dat het geluid dat tijgers produceren veel lage frequenties bevat. Lage frequenties dragen in de buitenlucht veel verder dan hoge frequenties, zelfs in de dichte bosgebieden waar de tijgers leven. Men beweert, maar dit is volgens Walsh niet bewezen, dat het geluid tot 8 kilometer ver hoorbaar kan zijn.
De meeste geluidsenergie wordt door tijgers gemaakt rond 300 Hz, met componenten daaronder tot zelfs onder 20 Hz. Dat de tijgers dit lage geluid ook zelf kunnen horen is door Walsh aangetoond. Hij bracht Siberische, Sumatraanse en Bengaalse tijgers onder narcose. Door het meten van de hersenactiviteit bleek dat tijgers het gevoeligst zijn voor geluid bij 500 Hz. (Bij mensen ligt de maximale gevoeligheid van het oor tussen 1000 en 2000 Hz).
De onderzoekers willen nu proberen of er van het geluid van de tijgers in het wild een akoestische vingerafdruk gemaakt kan worden, waarmee individuele tijgers gevolgd kunnen worden. Dit zou zinvol zijn voor het tellen van deze bedreigde dieren in het wild. Dierenoppassers uit dierentuinen kunnen hun tijgers aan het geluid dat ze maken herkennen.

woensdag 25 april 2007

Vissen

Algemeen
Vissen zijn op vele manieren in te delen, hoe ze eruit zien, waar ze van af stammen of in welk milieu ze leven. Vrijwel alle vissen leven permanent in het water en in verschillende milieus:
zoetwatervissen: komen voor in plassen, beken, rivieren en andere stromen;
brakwatervissen: komen voor in mangroves en overgangsgebieden tussen zee en rivieren;
zoutwatervissen: komen voor in zeeën en saliene milieus.
Daarnaast zijn er de anadrome vissen (bijv. zalm die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. De katadrome vissen zijn vissen die zich in zee voortplanten en opgroeien in zoet water, zoals de paling.
Lange tijd werden de vissen als één grote groep gezien (Pisces) maar tegenwoordig zijn de vissen verdeeld in twee klassen; de kraakbeenvissen, waartoe de haaien en de roggen behoren, en de straalvinnigen, de grootste groep die alle andere soorten bevat. Er zijn nog wel meer groepen, maar deze zijn allemaal uitgestorven, zoals de pantservissen. De kaakloze vissen (Agnatha), zoas de rivierprik worden als aparte groep naast alle andere vissen gezien. Zie ook onder het kopje taxonomie verderop.

Lichaam
Vissen hebben over het algemeen een langwerpig, zijwaarts afgeplat lichaam en een huid die bedekt is met schubben. Er zijn zeer veel uitzonderingen, sommige vissen lijken op slangen of zijn juist heel plat of bol. hebben allemaal vinnen, aan de combinatie en vormen van de vinnen valt vaak af te lezen tot welke groep een vis behoort.

skelet
Het skelet is relatief licht en bestaat uit een wervelkolom, met daaraan de graten, de vinstralen en vindragers, de botten van de bekkengordel en de lendengordel, de schedel, de kaakbeenderen, de kieuwbogen en de kieuwdeksels. De graten in het voorste gedeelte van het lichaam zijn gepaard en omhullen gedeeltelijk de buikholte. De kaken zijn bij beenvissen uitstulpbaar, waardoor deze vissen heel gemakkelijk voedsel naar binnen kunnen zuigen.

visvlees
Het grootste gedeelte van het lichaam bestaat eigenlijk uit twee grote lichaamsspieren, die via de huid en de wervelkolom de staartvin aandrijven. Deze lichaamsspieren zijn vaak voor het grootste gedeelte wit en opgebouwd uit segmenten die met elkaar door myosepten zijn verbonden. Aan de buitenkant van de lichaamsspier vlak onder de huid zit rood spierweefsel, dat een groot uithoudingsvermogen heeft.
Als de vissen kalm zwemmen gebruiken ze alleen de rode spiervezels, in noodsituaties gebruiken ze ook de witte spiervezels. Dit is de reden dat vissen vrij snel vermoeid raken als ze voor een sleepnet uitvluchten, of als ze gehaakt zijn door een hengelaar. Er zijn echter ook veel vissen met alleen rode spiervezels als zalm, wilde karper en tonijn, die dan ook niet zo snel vermoeid raken. Het witte visvlees dient voor een groot gedeelt ook om de stroomlijn van het lichaam te optimaliseren.
Visvlees bevat weinig bindweefsel en is dus nooit taai. Het percentage vet kan enorm variëren (0.5 - 40%) per soort en per seizoen. Vanwege het grote percentage onverzadigde vetzuren is visvlees erg gezond, maar ook erg bederfelijk.

Vinnen
Eén van de eigenschappen die vissen kenmerkt is dat ze in het bezit zijn van vinnen in plaats van poten. Vinnen dienen om te zwemmen, zowel om snelheid te maken als te sturen.
In het aantal vinnen verschillen vissen per groep. Rondbekken hebben twee eenvoudige vinnen: een rugvin en een staartvin. Daarentegen hebben haaien gewoonlijk een gepaarde rug- buik- en borstvin, daarnaast een staartvin en een aars- of anaalvin.
Sommige vissoorten hebben in de loop der eeuwen bepaalde vinnen verloren. Sommige soorten haaien of de poon hebben zulke sterke vinstralen dat ze op de borstvinnen over de bodem kunnen lopen. Zeepaardjes hebben een hele kleine rugvin die razendsnel als een propeller beweegt. Mesvissen bewegen zich juist voort met de lange aarsvin.

Kieuwen
Ogcocephalus parvus kan met de vinnen over de bodem lopen.
Dendrochirus biocellatus is een giftige koraalduivel.
Phractocephalus hemioliopterus heeft baarddraden.
Op enkele soorten na halen alle vissen de benodigde zuurstof uit het water door middel van kieuwen, deze zitten aan weerszijden achter de kop. De vis leidt het water door de kieuwen door eerst de kieuwholte te vergroten door met gesloten kieuwspleten en iets geopende bek de mondbodem naar beneden te bewegen en de voorkant van de kieuwdeksels naar buiten te bewegen. Door flapjes achter de lippen wordt het water tegengehouden als de vis de mondbodem weer omhoog beweegt en de kieuwholte verkleint. Het water wordt dan door de kieuwzeef (benige aanhangsels van de ophanging van de kieuwen) langs de rode kieuwlamellen gevoerd en verdwijnt het via de kieuwspleet.
Vissen als ansjovis, sardine en makreel creëren een waterstroom langs de kieuwen door simpelweg de bek en de kieuwen te openen en continu te blijven zwemmen.
De kieuwlamellen zijn voorzien van zeer kleine secundaire lamellen waar het bloed in een richting stroomt tegengesteld aan de waterstroom. Door dit tegenstroomprincipe kan het bloed maximaal van zuurstof worden voorzien.

Huid
Veel vissen hebben een huid van schubben of soms zelfs beenplaatjes, net als reptielen, maar de schubben van vissen dienen niet alleen ter versteviging, ze zijn zeer glad voor een goede stroomlijning voor het zwemmen. Om de weerstand nog verder te drukken hebben vissen een slijmlaag op de huid, die tevens dient om infecties buiten de deur te houden. Schubben zijn vooral bij beenvissen goed ontwikkeld. Toch zijn ook hier uitzonderingen, zoals het zeepaardje en de meerval. Haaien en roggen hebben geen echte schubben maar een leerachtige huid die voorzien is van vele kleine, harde insluitingen (tandschubben).

Zintuigen
Veel vissoorten hebben kleine gaatjes in sommige schubben op de flanken en de kop of poriën in de huid bij soorten zonder schubben. Dit wordt de zijlijn genoemd. Dit zintuig stelt vissen in staat drukveranderingen in het water waar te nemen. Zo kunnen vissen in troebel water en in het donker zwemmen zonder zich aan allerlei dingen te stoten. De zijlijn stelt vissen ook in staat om te anticiperen op naderende roofvissen, omdat deze het water in beweging brengen en daardoor voor drukveranderingen zorgen. Vooral bij vissoorten die in diepe zeeën en oceanen leven, is de zijlijn goed ontwikkeld. Het zijlijnorgaan kan ook fungeren als een orgaan dat veranderingen in electrische velden waarneemt. Vooral haaien zijn erg gevoelig voor electrische velden en gebruiken ze om ingegraven platvissen te vinden, door de kleine spanningen veroorzaakt door de spieren van de prooi.
Ook het evenwichtsorgaan, de smaak en de reuk zijn bij veel vissen goed ontwikkeld. Daarnaast beschikken veel soorten over een goed gehoor. Hierdoor kunnen ze met elkaar communiceren over zeer grote afstanden. Vissen met een goed gehoor als meerval en karper gebruiken de zwemblaas als een soort van trommelvlies. Met het orgaan van Weber, dat bestaat uit een aantal verbonden botjes wordt de trilling van de zwemblaas overgedragen naar het middenoor.
Tenslotte kunnen soorten die op goed verlichte plaatsen leven, goed zien. De ogen zelf kunnen nauwelijks bewegen en oogleden ontbreken. De lens in het oog kan door een spiertje dichterbij het netvlies worden getrokken, om zo voorwerpen op verschillende afstanden te kunnen waarnemen. Vissen zijn altijd wat bijziend, omdat scherpe waarneming op grotere afstand in het water niet zo zinvol is vanwege het beperkte blikveld.
Ook tastorganen als baarddraden komen voor bij de vissen, deze worden gebruikt om de bodem af te speuren op zoek naar prooidieren. De baardraden worden ook gebruikt als smaakorgaan, vaak in combinatie met wat smaakgevoelige velden op huid en vinnen.

Voortplanting
Een jonge zalm verlaat het ei, de dooierzak is duidelijk te zien.
Vissen planten zich meestal voort door middel van eieren, maar er zijn ook wel eierlevendbarende soorten waarbij de jongen in de moeder tot ontwikkeling komen. Bij de meeste vissen vindt de paring plaats doordat het mannetje en het vrouwtje respectievelijk het sperma en de eicellen tegelijkertijd afgeven, er vindt dus geen copulatie plaats. Sommige vissen produceren miljoenen eitjes, maar soorten die de jongen verzorgen leggen kleinere aantallen tot enkele honderden. Broedzorg kan ver gaan bij vissen; bij een aantal soorten worden de jongen agressief verdedigd tegen mogelijke vijanden. Een aantal soorten broedt de eitjes na het afzetten verder uit in de bek of laat de jongen bij gevaar snel in de bek zwemmen, zodat ze veilig zijn. Er zijn zelfs 'koekoeksvissen', die de eitjes door andere vissen laten verzorgen en waarvan de jongen niet zelden de eitjes of visjes van de gastheer oppeuzelen, deze hebben niet door dat hun kroost wordt opgegeten door een andere soort.
Er zijn ook vissen die een heus nest onderwater maken, en waarbij een van de ouders regelmatig met de vinnen over de eitjes waaiert om deze van een constante zuurstofaanvoer te voorzien, zoals de stekelbaars. Labyrinthvissen en andere soorten maken een schuimnest dat op het water drijft.
Als een visseneitje is uitgekomen komt de jonge vis tevoorschijn, die vaak larve wordt genoemd maar geen echte metamorfose meer ondergaat. De larve is vaak doorzichtig en draagt de dooier nog met zich mee. Na enige tijd is deze uitgeput en moet de vis op zoek naar voedsel. Vrijwel alle jonge vissen eten kleine diertjes om snel te groeien. Zeevissen eten vaak kleine in het water zwevende diertjes, voor zoetwatersoorten zijn dieren als watervlooien en muggenlarven onontbeerlijk als stapelvoedsel.

Vleermuizen

Vleermuizen (orde Chiroptera, ook wel handvleugeligen genoemd) zijn zoogdieren die echt kunnen vliegen (in tegenstelling tot zweven). Hiertoe zijn hun vleugels voorzien van een vlieghuid die tussen de vingers van hun voor- en achterpoten en hun staart zit.
Tot voor kort werden de vleermuizen in twee onderordes ingedeeld: Megachiroptera (grote vleermuizen) en Microchiroptera (kleine vleermuizen). De eerste groep bestaat uit grotere soorten die zich meestal op het gezicht oriënteren en die vaak fruit eten; de vliegende honden behoren hiertoe. De tweede groep bestaat vrijwel alleen uit vleeseters die zonder uitzondering gebruikmaken van echolocatie. Tot deze groep behoren alle andere vleermuizen. Genetisch onderzoek heeft echter aangetoond dat de families Rhinolophidae (hoefijzerneuzen), Hipposideridae (bladneuzen van de Oude Wereld), Megadermatidae (grootoorvleermuizen), Craseonycteridae (hommelvleermuis) en Rhinopomatidae (klapneuzen) in feite nauwer verwant zijn aan de Megachiroptera dan aan de andere Microchiroptera. Daarom worden ze nu vaak samen met de Megachiroptera in de onderorde Pteropodiformes (ook wel Yinpterochiroptera) ingedeeld, terwijl de overgebleven Microchiroptera de onderorde Vespertilioniformes (ook wel Yangochiroptera) vormen.
In Nederland en België komt uitsluitend een twintigtal gladneuzen en hoefijzerneuzen voor, waarvan een aantal zeer zeldzaam is. Door hun verborgen en nachtelijke levenswijze hebben veel mensen nog nooit een vleermuis in het wild gezien, maar ongeveer zeven soorten komen in Nederland toch algemeen voor. Er zijn wereldwijd ruim 1100 soorten, zodat meer dan één op de vijf zoogdiersoorten een vleermuis is.
Eén van de eerste vleermuizen was Icaronycteris, waar fossielen van zijn gevonden die dateren van 54 miljoen jaar terug, uit het Eoceen.

Levenswijze
De Europese vleermuizen zijn zonder uitzondering insecteneters. Deze insecten worden in de avondschemer in de lucht gevangen door echolocatie. Omdat er 's winters nauwelijks insecten rondvliegen, houden de bij ons voorkomende soorten een winterslaap, waarbij ze hun metabolisme tot een uiterst laag pitje terugdraaien en hun lichaamstemperatuur maar net boven het vriespunt blijft. Vleermuizen paren voor de winter, maar de eisprong en bevruchting treedt pas een paar maanden later op. Meestal is er maar 1 jong; dat wordt gezoogd en blijft tijdens de jacht van de moeder op de slaapplaats hangen. Vleermuizen kunnen tot tientallen jaren oud worden en planten zich maar langzaam voort. Ze zijn meestal zeer trouw aan hun standplaats en overwinteringsplaats.

Thermografische afbeelding van een vliegende hond, zijn vleugels houden de lichaamswarmte binnen
Vleermuizen slapen en overwinteren vaak in grote aantallen in grotten, of, in onze streken, bij gebrek aan grotten, in ijskelders, bunkers en forten. Sommige vleermuizen overwinteren ook in boomholten, terwijl dwergvleermuizen hoofdzakelijk in huizen (in de spouw of op zolder) overwinteren. In de zomer verkiezen ze plaatsen die warmer zijn dan bunkers en forten, en komen ze veelvuldig voor op zolders en kerkzolders. Ze hangen daar overdag met hun hoofd naar beneden. Ze kunnen ook ondersteboven in bunkers hangen of aan takken van bomen, onder afdakjes enzovoort. 's Avonds vliegen vleermuizen uit. Ze zijn in de schemering goed te herkennen, in de eerste plaats omdat er in de schemering weinig vogels vliegen, en in de tweede plaats omdat hun vlucht nogal afwijkend is. Op jacht naar vliegende insecten hebben ze een zeer onregelmatige vlucht, ze kunnen snel hun vliegrichting aanpassen. Deze vleermuizen zenden namelijk ultrasone geluiden uit die op een prooi weerkaatsen en weer opgevangen worden. Zo kan de vleermuis de afstand tot zijn prooi en omgeving inschatten en vliegt hij opmerkelijk veilig. Vleermuizen kunnen in het stikdonker door een kamer vliegen waarin garen draden gespannen zijn zonder deze te raken.

Vleermuisbescherming
Vleermuizen zijn door hun gewoonte om in groepen te rusten zeer kwetsbaar. Bij instorting, overstroming etcetera is een hele kolonie verwoest. Ook planten vleermuizen zich traag voort. Sommige soorten zijn pas na enige jaren geslachtsrijp, en een worp bestaat vaak uit niet meer dan één jong.
Door de beschadiging van hun biotoop is vleermuisbescherming hard nodig. Goede rustplaatsen overdag (holle bomen) en goede overwinteringsplaatsen, met zeer weinig verstoring, veiligheid voor roofdieren en de mens, en een temperatuur die 's winters niet onder het vriespunt zakt, zijn schaars. Gecultiveerde landschappen worden vaak armer aan insecten. Veel vleermuizen hebben om zich te oriënteren 'corridors' nodig van heggen of bomenrijen om zich over grotere afstanden te kunnen verplaatsen: ze begeven zich niet graag ver van een peilbaar echobaken. In de Europese Unie zijn alle soorten bij wet beschermd.
België en Nederland werden op 4 december 1991 partij bij het EUROBATS-verdrag (Agreement on the Conservation of Bats in Europe).
Zie ook: Habitatrichtlijn en de schending van de Habitatrichtlijn

Omgang met vleermuizen
Alle Belgische en Nederlandse vleermuizen zijn beschermde dieren.
Een slapend aangetroffen vleermuis het best rustig laten zitten. Het zijn nuttige diertjes die enorme hoeveelheden muggen verorberen.
Een vleermuis in winterslaap niet verstoren - opwarmen kost hem zoveel energie dat hij de lente wel eens niet meer zou kunnen halen als hij vaker wakker wordt dan normaal.
Een zieke of dode vleermuis niet met de handen aanraken - sommige vleermuizen zijn met het hondsdolheidvirus besmet. In een potje scheppen en (als hij nog leeft) een vleermuisopvangcentrum waarschuwen. (Zie externe links)
Een dode vleermuis melden aan een onderzoekscentrum, net als een vleermuis in de gordijnen; misschien is er wel een vrijwilliger in de buurt die u kan helpen zonder het beest schade te berokkenen.

Vogelbekdieren

De vogelbekdieren (Ornithorhynchidae) zijn de enige nog levende familie uit de onderorde der vogelbekdierachtigen en zijn samen met de mierenegels de enige nog levende cloacadieren. Tegenwoordig leeft er nog maar één soort, het vogelbekdier (Ornithorhynchus anatinus), in waterrijke gebieden in het oosten van Australië, inclusief Tasmanië en enkele andere eilandengroepen. Er zijn verschillende fossiele geslachten bekend uit Australië, maar ook één uit Patagonië (Argentinië). De fossiele geslachten (Obdurodon uit Australië en Monotrematum uit Argentinië) verschillen niet veel van het hedendaagse geslacht Ornithorhynchus. Volwassen dieren van de uitgestorven soorten hebben echter volledig ontwikkelde en functionele tanden, terwijl bij het hedendaagse vogelbekdier enkel zeer jonge dieren tanden hebben.

Vossen

Vossen zijn een groep hondachtigen waaronder momenteel 21 soorten worden gerekend, onder meer de woestijnvos (fennek), de poolvos, de kitvos en de verdwenen Falklandvos. De meeste soorten behoren tot het geslacht Vulpes. De meest verspreide, en de enige die van nature in Nederland en België voorkomt is de vos

Wolven

Kenmerken
Wolf
De wolf heeft een grijze tot grijzige vacht, met een rossig bruine kleur op rug, kop en oren. De verschillen tussen individuele wolven en ondersoorten zijn echter groot en cm, en een staart van 30 tot 50 centimeter. De schouderhoogte is 65 tot 80 centimeter. Vrouwtjes zijn zo'n tien procent kleiner dan mannetjes: mannetjes wegen 20 tot 80 kg, vrouwtjes worden gemiddeld 18 tot 50 kg zwaar.
De wolf heeft in rust een hartslag van 90 slagen per minuut en een ademhalingsfrequentie van 15 tot 20 per minuut. Bij grote inspanning kan dit oplopen tot een hartslag van 200 per minuut en een ademhalingsfrequentie van 100 per minuut.
Het gehoor, de reukzin en het zichtvermogen zijn goed ontwikkeld. Een wolf kan tegen de wind in andere dieren ontdekken die zich op een afstand van 300 meter van hem bevinden. Ook kan hij uitstekend zien in het donker. De wolf heeft een zichthoek van 250° (ter vergelijking: 180° bij mensen). De wolf kan tonen horen tot 40 Khz, tonen die te hoog zijn voor het menselijk gehoor. Speciale hondenfluitjes zijn ontwikkeld, die niet voor mensen, maar wel voor honden en wolven hoorbaar zijn.
De druk van de hoektanden, de druk die een wolf kan uitoefenen tijdens het bijten, is 150 kg/cm2.

Voedsel
Een bison die zich beschermt tegen een roedel wolven.
De wolf is een opportunist. Hij eet knaagdieren, haasachtigen, hoefdieren en vogels, maar ook aas en afval worden gegeten. Enkele grotere prooidieren zijn eland, edelhert, wild zwijn, rendier, bever en ree.
Indien voldoende aanwezig vormen hoefdieren de belangrijkste prooidieren. Bij een onderzoek naar het menu van Pools-Duitse wolven bleek dat ree ongeveer de helft van het menu beslaat, edelhert dertig procent en wild zwijn ongeveer vijftien procent. Kleinere dieren beslaan slechts vijf procent van het menu.
Ook vee en zelfs honden worden gegrepen. Een onbeschermd schaap is voor een wolf vaak een eenvoudige prooi, makkelijker dan bijvoorbeeld een ree.
Een gemiddelde roedel van ongeveer 10 dieren zal per dier ongeveer 2 tot 4 kg vlees per dag eten. Op jaarbasis eet een roedel wolven dus ongeveer 125 reeën, 30 edelherten, 5 wilde zwijnen, plus nog wat kleinere dieren.

Voortplanting
Een wolvenpuppie.
De paartijd verschilt per gebied. In Scandinavië duurt dit van februari tot april. Het nest van een wolf bevindt zich in een grot of een hol, verscholen onder boomwortels of tussen rotsen. Soms graaft hij zijn eigen hol, of vergroot hij het hol van een vos of een dassenburcht. Tussen maart en mei, na een draagtijd van 63 dagen, worden de welpjes -drie tot zeven per worp- geboren. Beide ouders zorgen voor de jongen. Ze krijgen daarbij hulp van de andere roedelleden. De reu brengt voedsel aan het zogende teefje.
Na acht weken zijn de jongen gespeend en ze blijven minstens een jaar bij de roedel. Vaak blijven ze langer bij de roedel, maar soms verlaten één- of tweejarigen de groep, vooral als ze worden gedomineerd door broertjes en zusjes en andere roedelleden en ook afhankelijk van het voedselaanbod en de jachttechniek. In gebieden met grotere prooidieren, zoals eland, bizon en edelhert is het voordelig een grote roedel te hebben.
Wolven kunnen vijftien tot twintig jaar oud worden in gevangenschap, maar worden in het wild niet zo oud; iets van 5 tot 10 jaar.

Gevaar voor de mens
In de middeleeuwen en daarvoor werd de wolf als een vrij lastig dier beschouwd, doordat het landbouwdieren als schapen en geiten at. Ook deden er in die tijd verhalen en sprookjes de ronde dat wolven ook mensen aanvielen. In de loop der tijd is het dier om die reden in onze gebieden afgeschoten en uitgestorven. In principe kunnen wolven, en zeker een roedel wolven, ongewapende mensen, en zeker kleine kinderen, de baas. In de praktijk vlucht de wolf voor de mens. Er is een beperkt aantal gevallen bekend waarin wolven mensen aten. Dit waren mensen die door andere oorzaken waren gestorven, bijvoorbeeld oorlogsslachtoffers. In andere gevallen, waarbij de wolf zelf de mensen had gedood, was er mogelijk sprake van hondsdolheid of verdedigde de wolf zichzelf of zijn jongen. Recentelijk overleed er nog een jongetje in Rusland door bloedverlies nadat deze werd gebeten door een wolf die hij in een dierentuin probeerde te aaien. De hond, de naaste verwant van de wolf, maakt jaarlijks ook enkele dodelijke slachtoffers.
Mensen en kinderen worden slechts in uitzonderlijke gevallen aangevallen, vrijwel alleen als ze zich wagen in de buurt van een nest met jongen. In Noord-Amerika, waar ongeveer zestigduizend wolven leven, is in de afgelopen jaren (vrijwel) geen mens aangevallen door een wolf. Het enige bekende slachtoffer is een man, M. Kenton Carnegie, die in december 2005 in Saskatchewan Canada door wolven is gedood.
Tegenwoordig wordt de wolf in vele landen beschermd, in Duitsland sinds 1989. In Frankrijk en Duitsland wordt er geld uitgekeerd voor door wolven veroorzaakte schade.